Van Dale 96: Zo glad als een aal (2)

vandalevignet

Rein Leentfaar uit Breskens schrijft een wekelijkse column voor Zeelandgeboekt over de Dikke Van Dale. Over het nieuwe, misschien laatste papieren woordenboek. Ook van het Groene Boekje verscheen een nieuwe editie. Wat Rein uit de Van Dale haalt boeit. Je krijgt net weer eens een andere blik op een woord of een begrip, waaraan je in het dagelijkse leven gedachteloos voorbij gaat. Deze keer: uitdrukkingen met ‘zo … als een …’ (aflevering 2).

*******************************************

Zo glad als een aal: uitdrukkingen met zo … als een … (2)

1. Keken als een mager varken. Vechten als kemphanen. Zo droog als een kempstok. Iemand kennen als je broekzak. Een huis (kamer) als een kerk. Zo arm, zo kaal, zo hongerig als een kerkrat. Zo blij, gelukkig als een kermiskind. Vloeken als een ketellapper, een ketter. Roken, zuipen als een ketter. Schrijven als een keukenmeid. De titel van een oud kookboek is: "Aaltje, de volmaakte en zuinige Keukenmeid". Zo vlug zijn als een kieviet. Kijken als een oorwurm. Zo koud (koel) als een kikker. Zo flauw, schor, blind als een kip. Praten als een kip zonder kop. Zo klaar als een klontje. Zitten als een kleermaker. Een kleur als een jongejuffrouw krijgen.

2. Klinken als een klok. Zo hard als een klinker. Zo vet als een klodder. Op iets staan kijken als een uil op een kluit. Buigen als een knipmes. Een cliché (waarheid) als een koe (lapalissade). Gegroeid als een koeienstaart. Zweten als een koetspaard. Eten als een kokmeeuw. Zo effen als een kolfbaan. Omhoogschieten als een komeet. Vlug, schuw, ongeduldig als een konijn. Zo schoon als een koningskind. Koorts hebben als een paard. Zo koppig als een ezel. Zo koud als een bot, als ijs, als een kommetje, als een steen. Hij heeft er verstand van als een kraai van een zaterdag. Zo scheef als een krab. Zo rood als een kreeft. Zo vals als een kreng. Blozen (zingen) als een kriek. Hij weert zich als een kat in de krullen. Zo doof als een kwartel. Kwinkeleren als een nachtegaal. Zo zoet als een lam, zo mak als een lammetje. Dat werkt op hem als een rode lap op een stier. Zo scheel als een lathamel. Sterk, vechten, opvliegen als een leeuw.

3. Zingen als een leeuwerik. Zo blauw als een lei zijn. Zo lek als een mandje. Zo wit als een lelie. Leven als God in Frankrijk, als een vis(je) in het water. Leven als kat en hond. Leven van de hand in de tand. Een leven leiden als een prins. Een leven als een luis op een zeer hoofd. Het loopt als een trein. Zo licht als een veer(tje), als een vogel. Hij liegt als een almanak. Hij liegt als een tandentrekker, hij liegt als een paard. Hij liegt in commissie. Het loopt als een lier, zingen als een lier, branden als een lier. Zo bleek, koud als een lijk. Wit zien als een lijk. Een gezicht als een lijkbidder hebben. Een huis als een lijnbaan. Zingen als een lijster. Zo stil als een loof (bladstil). Lopen als een haas, de wind. Uiteenspatten als een luchtbel. Dat slaat als een lul op een drumstel. Een maag als een paard hebben. Zo mager als een hout, als een sprinkhaan, als een lat. Slapen als een marmot. Zo lelijk als een marteko (martiko).

4. Lopen als een muis in een meelton. Zo dronken, zo zat als een meeuw. Hij was zo dronken als een meloet. Zo rot als een mispel. Zo moe als een hond. Zo lomp, zwijgen als een mof. Zo moedig als een leeuw. Zo blind, vet, dik, slapen als een mol. Draaien als een molen. Dat ligt me als een molensteen op het hart. Hij ziet zo zwart als een molik. Zo zwart als een moor. Zo sterk als een mug. Zo dom, zo koppig, zo beladen als een muilezel. Zo zot zijn als een mus. Zo vast als een muur. Zo scherp als een naald. Uitgaan als een nachtkaars. Hij maakt een leven als een naslag. Zo nat als een dweil, een vaatdoek. Zo zwart als een neger, als roet. Nijdig als een spin.

5. Het is als een druppel in de oceaan. Leven als een oester. Zo glad als een olieflesje. Zo dom als een oliekoek. Hij is omgekeerd als een zak. Een vent(je) als een onderdeur. Zo onschuldig zijn als een pasgeboren kind. Je ziet eruit als een onopgemaakt (afgehaald) bed. Je hebt een gezicht als een onweer(slucht). Benen als een ooievaar hebben. Eten als een ooievaar. Rammelen als een oordeel. Over iets oordelen als een blinde over de kleuren. Opvliegen als buskruit; opvliegen als een bosje vlooien. Opwaaien als een velletje postpapier. Ergens als een berg tegen opzien. Een stem als een orgel, een orkaan. Zo dom, slapen als een os. Zo mager als een geraamte. Zo stijf als een paal, zo vast als een paal. Dat staat als een paal boven water. Achteruitgaan als een hollend paard. Een wijf als een paard, een nicht als een paard (op-en- top homo). Hij is van geld voorzien als een pad van veren. Zo dik, zo grauw als een pad. Dat lag mij als een pak op het hart. Zo glad, kronkelen als een paling. Zo mager als een panlat.

6. Zo plat als een pannenkoek. Iets vanbuiten leren als een papegaai. Praten als een papegaai. Zo trots, zo fier als een pauw. Zo vol als een pensketel. Mager als een pers. Zo dood als een pier. Zo vol als een potje met pieren. Hij schoot vooruit als een pijl uit een boog. Zo blij als een hond met zeven pikken. Zo groot als een pinknagel. Een kleur krijgen, blozen als een pioen. Zo stijf als een plank. Zo plat als een dubbeltje, als een luis, als een botje. Van vrouwen: zo plat als een slijpplank; zo plat als een schol(letje). Hij werkt als een ploegpaard. Zo licht als een pluim(pje). Hij loopt, hijgt als een postpaard. Een gezicht als een prent. Hij is zo vlug als een spin op een presenning. Zo scherp als een priem. Leven als een prins. Gekleed zijn als een prinses. Zo naakt als een puit. Zo zwart als een raaf, stelen als de raven. Mijn keel is zo rauw als een rasp. Als een rat in de val zitten. Zo kaal als een rat.

7. Zo recht als een kaars, als een pijl, als een stok, als een spijker. Vlug, snel, schuw als een ree. Een hoofd als een register. Schijten als een reiger, afgaan als een reiger. Zich gewestelijk voelen als een reiger op het ijs. Als een relletje ging het door de hele stad. Iets als een relikwie bewaren. Zo rijk als Croesus. Ril (schuw) als een hert. Roerloos als een beeld. Als een roetetoeter ben je zeer dronken. Roken als een ketter, als een schoorsteen. Het leest als een roman. Zo rood als een (gekookte) kreeft, als een kalkoen. Dat werkt als een rode lap op een stier. Ontluiken, bloeien, blozen, slapen als een roos. Mijn hoofd loopt me om als een rosmolen. Hij weet er zoveel van als de kat van saffraan; hij weet er zoveel van als een koe van saffraan. Vloeken als een sappeur, een baard hebben als een sappeur. Zo geduldig, onnozel als een schaap. Zo bang als een scheet. Honger hebben als een schuurdorser.

8. Een slak komt er net zogoed als een kikker. Zo vet als een slak. Glad, vals, voorzichtig, listig als een slang. Slapen als een os, als een roos. Ermee slepen als een kat met haar jongen. Eten als een slootgraver. Het geheim van de smid, handen als een smid, schrijven als een smid, praten als een smid. Zitten als een snijder. Zo dronken, verkouden als een snip. Hij voelt zich als een snoek op zolder. Als een kind in de snoepwinkel. Zo glad als een aal in een emmer met snot. Iemand als een snotjongen behandelen. Gillen als een (mager) speenvarken. Blinken, glad als een spiegel. Boos, kwaad, nijdig, kwaadaardig als een spin. Drinken als een spons. Zo mager als een spook. Hongerig, onverzadigbaar als een jonge spreeuw. Hij is zo dronken als een staartmolen. Hij stond daar als een standbeeld. Zo hard, onwrikbaar als een steenrots.

9. Zo knorrig, zo kwaad als een stekelvarken. Hij is zo sterk als een paard, als een leeuw, als een beer. Sterven als een hond; sterven als een beest (in ongeloof). Loeien, snuiven als een stier, zo kwaad als een stier, het land hebben, balen als een stier. Zo stil als een muis. Stinken als een bok, als een bunzing, als de pest. Zo mager als, uitdrogen als een stokvis. Zo stom als een vis. Als een stoomwals ergens overheen gaan, denderen. Stappen als een stotershaantje. Dat staat als een vlag op een strontschuit. Dat slaat als een tang op een varken. Zo lek als een teems. Hij vordert als een luis op de teerton. Drinken, zuipen als een tempelier. Zich ergens in vastbijten als een terriër. Lopen, branden als een tierelier. Lopen als een tiet.

10. Mijn hoofd draait als een tol. Hij is zo dronken als een tol. Zo zwart, dronken als een tor. Als een witte tornado door het huis gaan. Zo zwart als een toveres. Zo traag als een slak. Drinken als een trechter. Getypecast worden als een dom blondje. Zo geil als een bos uien. Stinken als een ulk. Klinken als een trompet. Zien als een valk. Zo vals zingen als een kraai, kat of kater. Te vangen zijn als een aal bij de staart. Zo zuur zien als een var. Zo moedwillig, zo koppig als een var. Zuipen als een vergiet. Hij rookt als een Vesuvius. Zo gezond als een vis. Opvliegen als een bosje vlooien. Hij zit erbij als een dood vogeltje. Tekeergaan als een wildeman. Een meid, een kerel, een kind als een wolk. Zo zat als een varken; zo zat als een aap. Zo zat als een meeuw; zo zat als een wiel, zo zat als een zwitser, zo zat als een Maleier. Hij staat daar als een zoutpilaar. Zo zwart als roet, inkt, kool, als git, als een raaf.

NicLeentfaar2.jpgRein Leentfaar – foto Peter Nicolai

Dit bericht is geplaatst in Woordenboek met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *