Zeeuwse schrijvers 44: P.H. Ritter jr.

ritterMario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer, aflevering 44: P.H. Ritter jr.  (1882-1962) – ,,Gemaniëreerd misschien, salonfähig altijd, licht geroerd, en immer bekommerd om het broze, schone.”

Waar ligt Loftinge?

P.H. Ritter jr.

Denken ze in Middelburg, in Goes, in Zierikzee, in Hulst, in Sluis wel dankbaar genoeg terug aan P.H. Ritter jr.? Over deze en andere Zeeuwse plaatsen schreef hij op beschaafde jubeltoon. Hij woonde slechts een paar jaar in het gewest. Van 1916 tot 1918 was hij chef bij de Provinciale Griffie, en ook toen gaf zo’n ambtelijke baan je volop tijd voor het echte werk. Werk als de Zeeuwsche Mijmeringen, verschenen in 1919.

Ritter was de Adriaan van Dis uit het tijdperk van de radio. Via dat medium vroeg hij in de jaren dertig aandacht voor literatuur. Zelfs in de beschrijving van zijn verschijning zie je treffende overeenkomsten met Van Dis: ‘Gemaniëreerd misschien, salonfähig altijd, licht geroerd, en immer bekommerd om het broze, schone, om het gracieus avontuur met de woorden en om de galante afspraak met zijn pen’. Gracieus en galant zijn zeker de mijmeringen over Middelburg, over de markt op donderdag en over het Abdijplein waar je ingaat ‘tot Zeelands wezen’.

Elders hoeven ze niet afgunstig te zijn. Hij is even uitbundig over Zierikzee en over Goes: ‘het lijkt wel of een stoere wil dit stevige stedeke heeft gebouwd als een wiskunstig verzet tegen de ijle oneindigheid van het landschap’. In De Hoorn der Schelde (1939) maakt hij het goed tegenover de Zeeuws-Vlamingen. Hij heeft nóg meer geschreven over zijn tijdelijke thuis. In 1934 publiceerde hij ‘met instemming en medewerking van V.V.V. Middelburg’ een wervende brochure over de Zeeuwse hoofdstad. Hetzelfde jaar bracht Het welkom schandaal, een satirisch verhaal dat speelt in Loftinge. Die plaats vind je niet op de kaart maar is, gelegen ‘op een eiland tusschen stroomen en zanden’, toch zeer Zeeuws. Het is een stil, krimpend stadje vol ‘verdwenen verleden’ en zich ‘voornaam aanstellende notabelen’ die zich hier ‘grandioos konden gevoelen en plechtig konden gebaren’. Dergelijke nutteloze notabelen krijgen steevast een straatnaam, maar hopelijk mogen we ooit in een paar van de door hem bezongen Zeeuwse gemeenten genieten van Ritterstraten, Ritterlanen, Ritterpleinen. Wel staat vast dat ze in Loftinge niet eens een steeg naar hem zullen vernoemen.

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *