Zeeuwse schrijvers 41: Martien Beversluis

beversluis

 

Mario Molegraaf schrijft wekelijks een kort portret van een Zeeuwse schrijver. Zeeuws qua persoon en/of qua inhoud. Deze keer, aflevering 41: Martien Beversluis (1894-1966).

Zeeuwsche schande

Martien Beversluis

door Mario Molegraaf

Zeeuwscher (met sch natuurlijk) kan het niet. Een dichtbundel De Zeeuwsche Lier, vol Zeeuwsche gedichten, vanaf regel één: ‘Land, tusschen duinen en stroomen/ dijken en toornende boomen’. Toch had de auteur zich nog maar pas in Zeeland gevestigd, maar het was iemand die even vlot van overtuiging wisselde als wij van onderbroek. Het gaat om Martien Beversluis, eerst fel antinazi, vervolgens fel pro, wat hem het burgemeesterschap van Veere en Vrouwenpolder opleverde.

De Zeeuwsche Lier verscheen in de zomer van 1940 ten bate van het goede doel, namelijk het Provinciaal Zeeuwsch Comité voor hulp en herstel. Hulp en herstel in de eerste plaats voor Middelburg en de Middelburgers. Beversluis zingt ook over de getroffen stad: ‘haar poorten en abdije,/ ’t juweel van de contrije/ staat radeloos in brand’.

Wat is er gebeurd in mei 1940? Wie heeft het gedaan? Voor Lou de Jong, de officiële geschiedschrijver van de oorlog, lag het eenvoudig: ‘Kort na het middaguur verschenen vliegtuigen van de Luftwaffe boven de Zeeuwse hoofdstad; brisantbommen lieten zij vallen.’ Een terreurbombardement, net als een paar dagen eerder op Rotterdam, het klonk logisch, bijna geruststellend. Maar De Jongs verhaal klopt niet. Een theorie wil zelfs dat Franse troepen verantwoordelijk waren. Een ongemakkelijke theorie, want de Fransen waren te hulp gesnelde vrienden en de Duitsers de agressieve invallers.

Maar ook in sommige krantenberichten verwees men destijds naar de terugtrekkende Fransen. Wie heeft het gedaan? Maken misschien Beversluis en zijn De Zeeuwsche Lier ons iets wijzer? De voorzitter van het hulpcomité houdt zich in een voorwoord plechtig op de vlakte: ‘ernstig getroffen in de branding der tijden’. De dichter is iets duidelijker, hij heeft het over ‘geschut’ dat ‘aan Uwe wallen dreunde’ en ‘granaatvuur’.

Geen vliegtuigen en bommen dus, maar ook geen uitsluitsel over de afzender van de granaten. In plaats daarvan tientallen bladzijden vaag en braaf gerijmel over Zeeuwsche meeuwen. Een paar jaar later ontwikkelde Beversluis zich tot de schande van Zeeland. Hij dichtte vóór de SS: ‘één in wil en streven’. En hij dichtte tegen de Joden: ‘De ratten! Wij moeten ze vatten!’

Dit bericht is geplaatst in Biografie met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *