Het leven op een Zeeuws slavenschip

De commotie in Engeland in 2007, toen de afschaffing van de slavenhandel in 1807 werd herdacht, is me grotendeels ontgaan. Er verschenen toen boeken (o.a. van Stephanie Smallwood, Emma Christopher en Markus Rediker) waarin het leven aan boord van de slaventransportschepen in de felste kleuren werd getekend. Een hel was het, niets meer en niets minder. Maar klopt dat op niet erg betrouwbare bronnen gebaseerde beeld wel? Henk den Heijer schetste afgelopen maandag (11 april) bij de aanvaarding van het hoogleraarschap in de Zeegeschiedenis aan de Universiteit van Leiden in zijn oratie ‘Het slavenschip’ een minder schril beeld. Hij baseert zich daarbij voor een belangrijk deel op het archief van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) in het Zeeuws Archief in Middelburg. Een archief dat binnenkort vrijwel zeker in het World Register van de UNESCO zal worden opgenomen.

In 2014 staat de Nederlandse herdenking van de afschaffing van de handel in slaven gepland. Wat dat betreft is de boodschap van Den Heijer goed getimed. Niet dat we trots moeten zijn op ons slavenhalersverleden. Maar enig besef dat er in de 18e eeuw andere levensomstandigheden waren, en dat er andere normen en waarden golden – om het stokpaardje van de wel heel snel in de vergetelheid geraakte Balkenende nog eens van stal te halen – kan geen kwaad.

Grootste probleem bij het bestuderen van de omstandigheden aan boord van de slavenschepen is het ontbreken van bronnen. De enkele (Engelse) ooggetuigenverslagen die er zijn, werden door tegenstanders van de slavenhandel opgeduikeld en gebruikt. ,,Toch bekruipt je bij het lezen van die huiveringwekkende geschiedenissen het gevoel dat het wringt”, zegt Den Heijer.

De meeste recente studies proberen de slavenhandel vooral in cijfers te vangen. Die zijn indrukwekkend genoeg. Op Nederlandse schepen werden tussen 1601 en 1803 ongeveer 600.000 slaven vervoerd. De West Indische Compagnie was daarin verreweg de grootste speler. Den Heijer publiceerde al in 1994 ‘De geschiedenis van de WIC’. Wereldwijd werden er tussen 1519 en 1867 tussen de 11 en 12,5 miljoen Afrikaanse slaven verscheept en verkocht. De Middelburgsche Commercie Compagnie legde zich tussen 1730 en 1803 toe op de zogenaamde driehoekshandel: slaven vanuit Afrika naar Midden-Amerika brengen, en van daaruit producten van de plantages naar de Republiek vervoeren. De MCC maakte in totaal 113 driehoeksreizen.

In het archief van de MCC bevinden zich scheepsjournalen, negotieboeken -over de onderhandelingen met verkopers van slaven – lijsten van bemanningsleden en brieven van kapiteins. Een schatkamer, waaruit Den Heijer een beeld kan destilleren van hoe het werkelijk aan boord van een slavenschip toeging.

Centraal in zijn betoog staat de stelling: slaven waren primair handelswaar, waarmee zorgvuldig moest worden omgegaan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de instructie die de kapiteins voor hun vertrek van de directie meekregen. Slaven moesten goed gevoed en goed behandeld worden, onnodig geweld en seksueel misbruik waren ten strengste verboden. Het blijkt verder ook uit de zorgvuldige wijze, waarop kapiteins werden geselecteerd. ‘Ruim driekwart van hen kwam uit Zeeland en meer dan de helft heeft twee of meer reizen als kapitein voor de Compagnie gemaakt.’ Was er sprake van wangedrag van bemanningsleden of waren er andersoortige problemen, dan moest de scheepsraad bijeen worden geroepen. Zo kon het gebeuren dat eerste stuurman Jan Sloot in 1752 zich zo ernstig misdroeg, dat hij op een Engels schip werd overgezet. Maar dat gebeurde pas nadat de kapitein een verklaring had opgesteld, die door de hele bemanning was ondertekend. Gemiddeld waren er 30 tot 35 bemanningsleden aan boord van een schip met zo’n 250 (geketende) slaven.

Den Heijer wijst ook op de zogenaamde bomba’s: Afrikaanse opzichters die over de slaven waakten. Uit de monsterrollen valt op te maken, dat er geregeld bomba’s werden aangenomen. Nou hoeft dat niet meteen te betekenen dat slaven ook goed werden behandeld, maar het geeft wel aan dat er in begeleiding werd geïnvesteerd. Dat gold ook voor de medische zorg. Elk slavenschip had standaard een chirurgijn aan boord, die verantwoordelijk was voor de gezondheid van de bemanning en van de slaven. De Vlissingse arts Henri Gallandat publiceerde in 1769 de verhandeling Noodige onderrichtingen voor de slaafhandelaaren, waarin hij beschreef hoe de slaven aan boord gezond konden worden gehouden.

Slavenhandel werd volgens Den Heijer in de 18e eeuw lange tijd als ‘business as usual’ gezien. Er kwamen ongetwijfeld misstanden voor. Maar het streven was om zoveel mogelijk van de gekochte Afrikanen levend over te brengen naar het andere continent, en om dat te bewerkstelligen waren er strenge regels opgesteld. Den Heijer: ,,Op Zeeuwse slavenschepen kwamen geweld en seksueel misbruik van slavinnen ook voor, maar veel vaker verliepen slavenreizen – natuurlijk in de context van de achttiende eeuw – ‘normaal’.”

Verdere bestudering van het MCC-archief kan ongetwijfeld voor een scherper beeld van de behandeling van slaven zorgen. En dat MCC-archief, ja, dat hebben we toevallig wel in Middelburg.

De tekst van de oratie van Henk den Heijer, uitgesproken op 11 april 2011, is te vinden op:

http://media.leidenuniv.nl/legacy/oratie-den-heijer-110411.pdf

Dit bericht is geplaatst in Geschiedenis, Slavernijgeschiedenis met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.